voorkeurshouding

Bewegen baby’s wel voldoende? Wat is de status en wat kan er nog beter thuis en in de kinderopvang?
Bij volwassenen is het belang van bewegen duidelijk: het zorgt voor een goede gezondheid en heeft een positieve invloed op bijvoorbeeld bloeddruk en de hartconditie. Kortom: bewegen is goed voor de gezondheid.  Bij kleine kinderen komt hier nog veel meer bij. Door te bewegen oefent een kind zijn spierstelsel en wordt daardoor steeds sterker, en dat is goed voor het zelfvertrouwen. Maar er speelt nog wat mee: met beweging leert een kind ook de omgeving en zijn of haar eigen lichaam te ontdekken.

Voor dit thema interviewden we deskundige Marije Magito, directeur van het Jonge Kind Centrum dat voor ouders verschillende workshops organiseert met thema’s als ‘Slapen’, ‘Spelen met je baby en dreumes’ en wekelijkse activiteiten zoals de Babyclub, Dreumesfun en Peutersteps. Daarnaast biedt het Jonge Kind Centrum trainingen en workshops aan professionals in de kinderopvang. Ook stelden we vragen aan Tineke van Westerop, kinderfysiotherapeut en deskundig op het gebied van de motorische ontwikkeling van kinderen van 0 tot 4 jaar.

We vragen Marije: vind je dat kinderen genoeg bewegen?

‘Bewegen is hartstikke hip, maar vooral bij oudere kinderen’ antwoordt Marije. Dat er nu zoveel aandacht voor is heeft alles mee te maken dat er meer problemen zijn met overgewicht en te veel naar schermpjes kijken. In het kader van het Nationaal preventieakkoord worden er vanuit de overheid diverse initiatieven met subsidie genomen, zoals het Kenniscentrum Sport en Bewegen met een uitgebreid programma, en wordt het bewegen van jonge kinderen gepromoot. Denk ook aan de opkomst van beweegcoaches en de programma’s Taaldans en Rekendans van Lenneke Gentl voor kinderen op de basisschool.’

marije magito

Hoe is het gesteld met de motoriek van baby’s en peuters?

‘Baby’s bewegen te weinig, daar is te weinig aandacht voor. Consultatiebureaus houden de ontwikkelingsachterstand en overgewicht wel goed in de gaten, maar ouders zijn er niet zo bewust mee bezig om baby’s meer en beter te laten bewegen. Ouders moeten leren dit te faciliteren en te ondersteunen, met name bij baby’s. Er zijn wel lokale workshops zoals baby-yoga, babyzwemmen, een Babyclub zoals in Almere en Rotterdam en babymassage. Massage (aanraking) is belangrijker dan je denkt want daarmee ondersteun je onder meer de ontwikkeling van lichaamsbesef. Baby’s worden geboren zonder besef van hun lichaam, dat besef groeit naarmate ze ouder worden en lichaamservaringen opdoen. Denk maar even aan de baby die voor het eerst zijn handjes ontdekt. Dan zie je de verbazing. Door de ervaring te benoemen, gaat de baby woorden koppelen aan die ervaringen en zo leert hij dat zijn handje zijn hand is. Bij een massage ervaren baby’s het gevoel van aanraking op het lijf en daarmee de bewustwording van hun eigen lichaamsdelen en dus hun bewegingsapparaat. En dat bewegingsapparaat kun je pas goed gaan ‘besturen’ als je weet welk onderdeel voor wat geschikt is. Dat betekent dat baby’s veel moeten kunnen oefenen en daar hebben ze letterlijk en figuurlijk ‘ruimte’ voor nodig.
Als een baby zich gaat afzetten van jou op de schoot, door de beentjes te strekken, dan is hij gewoon aan het trainen totdat hij sterk genoeg is om zijn eigen gewicht te dragen. Kinderen moeten de gelegenheid krijgen om te bewegen en leren daardoor. De Feldenkrais methode gaat ervan uit dat baby’s zichzelf en de wereld om zich heen ontdekken aan de hand van de opgedane ervaringen. Daarnaast zijn er de SpeelRuimte bijeenkomsten volgens de Emmi Pikler methode, vooral populair in het noorden en oosten van het land. Baby’s mogen hier vrij spelen en ouders en begeleiders bekijken vanaf de zijlijn naar wat de baby’s ervaren en leren.’

Ouders zijn ongeduldig

Ze vervolgt: ‘Baby’s hebben van nature een eigen drive om te gaan bewegen, daar hoef je als ouder niet zoveel aan te doen. Kinderen gaan rond een maand of 8 heus wel zelfstandig zitten, dan zijn ze sterk genoeg. Maar ouders willen graag dat kinderen wat eerder kunnen zitten, gezellig aan tafel in de hoge stoel. Dan worden kinderen helemaal vastgezet en producenten gaan van alles ontwikkelen om in die behoefte van ouders te voorzien. Dat een kind nog niet kan zitten heeft er mee te maken dat zijn lichaam hiervoor nog niet sterk genoeg is. In plaats van hem toch hierin te gaan ondersteunen door ergens in ‘vast te zetten’ kun je een kind beter meer bewegingsruimte geven waarmee hij de spieren kan versterken.
Ik zie ook dat er ‘grote kinderen’ activiteiten worden aangeboden voor veel te jonge kinderen. Er zijn sportclubs waar kinderen vanaf 1,5 jaar terecht kunnen voor peutervoetbal. Vaders die bijvoorbeeld vroeger zelf hebben gevoetbald vinden het leuk als hun zoontje ook gaat voetballen. Liefst zo snel mogelijk. Het resultaat is dat er 30 dreumesen in een groep rondlopen die alle kanten opgaan behalve de goede. Daar zijn ze gewoon te jong voor, breintechnisch en lichamelijk. Gras gaat ook niet harder groeien door er aan te trekken, kinderen groeien er vanzelf naar toe. Het zou fijn zijn als ouders en organisaties wat meer geduld zouden kunnen opbrengen. Daarnaast is het een te eenzijdige belasting van het beweegapparaat. Te vroeg aan dit soort activiteiten beginnen is niet goed, en er is een grote kans dat ouders hun jonge kind overvragen en daarmee negatieve ervaringen laat opdoen in iets wat zij zo graag willen. En dat kan nooit de bedoeling zijn.
Emmi Pikler stelde dat kinderen zichzelf ontwikkelen vanuit hun eigen kracht. En ze was groot voorstander van echt goed contact en één op één aandacht met kinderen tijdens de verzorging waardoor kinderen zelfstandig leren spelen en zich ontwikkelen. Dat werkt echt, dat heb ik met eigen ogen gezien in de kinderopvang.’

Weten ouders niet goed hoe met een baby moeten worden omgegaan?

‘Absoluut!’, antwoordt Marije. Er zijn heel wat ouders die niet goed weten wat een baby allemaal nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Dat heeft wel een demografische geschiedenis. Vaak is de eerste baby die jonge ouders vasthouden van hun zelf, terwijl wij vroeger regelmatig op kleine kinderen pasten. De gezinnen waren vroeger groter, dus er waren altijd wel broertjes of zusjes om voor te zorgen. En de onderlinge banden in de gemeenschap waar mensen woonden waren sterker. Nu wonen families meer uit elkaar want met de auto reis je overal naartoe met het gevolg dat gezinnen geïsoleerd raken. Wij zien op de Babyclub ouders binnenkomen die niet goed weten wat zij een baby verder moeten aanbieden dan eten geven, een schone luier, knuffelen en speelgoed geven. Het is ook moeilijk om je voor te stellen hoe het leven van ouders nu is zonder hulp en met alle technologie die er nu is.’

Hoe zit het met het aanbieden van speelgoed?

‘Kinderen liggen nu in de box met zoveel speelgoed en knuffels, dat ze nauwelijks kunnen bewegen. Ze kijken naar een babygym en daarboven hangt dan nog een mobiel, ze raken overprikkeld en komen niet meer tot spelen. Baby’s raken gefixeerd, kunnen niet filteren dus zullen dit beeld niet loslaten. Het probleem is ook dat ouders niet weten wat al dat speelgoed nu betekent voor de ontwikkeling van hun kind. Als ouders bij ons op de Babyclub komen dan bieden we ze een bakje en een balletje aan en zeggen tegen de ouders: kijk goed naar wat je kind zelf gaat uitproberen.  Dan zie je dat kinderen een bakje helemaal gaan ontdekken met hun handjes en met hun mond, dan gaan ze het balletje erin doen, ontdekken dat het balletje eruit gegooid kan worden en zo leren ouders wat hun kind aan het leren is. Er is heel veel mooi speelgoed beschikbaar maar ouders hebben geen idee wat kinderen daarmee nu precies leren. Dat zouden fabrikanten veel beter uit moeten leggen.’
Marije is zelf een groot fan van ballen in alle maten, vooral strandballen. ‘Ze zijn licht  en heel leerzaam; als je er tegenaan duwt, rolt het weg, als je harder duwt, rolt het verder weg. Ze leren de vorm kennen, het gewicht, het materiaal, ze zijn gewoon met rekenen bezig! Je kunt met ballen rollen, gooien, je kunt erop zitten, je kunt op strandballen massage en balansoefeningen doen zodat kinderen hun spieren kunnen trainen.’

Is er voldoende informatie beschikbaar voor ouders?

‘Ik zie soms ouders die echt niet weten hoe ze hun kindje moeten oppakken en wat ze met hun kind moeten doen. Ouders weten niet meer waar ze informatie voor de verzorging voor hun kind vandaan moeten halen. Er leven zo veel opvoedvragen. Ze lezen te weinig en soms ook veel te veel. Daarnaast spiegelen ze zichzelf vaak aan rolmodellen op social media en dit maakt ze niet altijd gelukkig. En hier zitten ook hoogopgeleide ouders tussen. Het probleem is veel groter dan wij denken.’
Ze noemt een voorbeeld. ‘Ouders weten niet meer hoe ze hun kleintje kunnen leren klimmen en willen dat ook niet, bang dat ze vallen en een blauwe plek oplopen. Allemaal risicomijdend gedrag waarvoor ze tegenwoordig online babyhelmpjes, knie- en elleboogbeschermers en zelfs een kussenvormig rugzakje kunnen kopen. Wij hebben een laag piramidevormig houten meubel met een loopplankje staan. In plaats van het kind op blote voetjes te leren klimmen en klauteren zodat het leert zelf risico’s in te schatten, houden ze het kind aan de hand en willen ze dat het kind met sokjes aan op een gladde plank naar boven loopt. Dat lukt natuurlijk niet.’

Is er nog hoop?

‘Er is wel hoop’, vervolgt ze. ‘Kijk naar het boek: De eerste 1000 dagen van Tessa Roseboom. Hierin staat beschreven dat de blauwdruk van een kind wordt bepaald vanaf het moment van de conceptie tot het moment dat een kind 2 jaar wordt. Dit heeft de politiek opgepakt en er is nu het project Kansrijke Start opgestart. Dit initiatief moet gemeentes motiveren om te kijken naar het huidige aanbod voor deze groep ouders en kinderen. Er zijn mij 2 programma’s bekend die hieruit zijn voortgevloeid: Centering Pregnancy en Centering Parenting. Hier leren ouders naast de zwangerschap en bevalling ook over de veranderingen in hun relatie, werk, huishouden, afspraken en kosten. Dat is belangrijk, want het scheidingspercentage van ouders met een kind jonger dan 4 jaar is zeer hoog. Deze programma’s zijn echter wel vooral gericht op de ouders en niet op de baby’s. Naast de Babyclub ken ik geen ander praktisch programma wat zich specifiek richt op de ondersteuning van de brede ontwikkeling van baby’s.’

Hoe zit het met de expertise van de kinderopvang?

Marije: ‘In 2018 ging de wet IKK van kracht. Deze bepaalt dat er maar 3 baby’s bij een leidster mogen, dat er een mentor aanwezig moet zijn om de ontwikkeling van kinderen beter te volgen en er is verplichte bijscholing voor de leidsters die met baby’s werken. Maar daarmee zijn babygroepen onbetaalbaar geworden. Uit praktische en financiële motieven worden ze in verticale groepen van 0 tot 4 jaar gezet en daar sla je de plank mee mis. Want baby’s kunnen niet tussen de racende fietsjes op de grond worden gelegd en voor boxen op de grond is vaak onvoldoende plek, met als gevolg dat ze te vaak veilig in hoge boxen worden gelegd. Onderzoeksgegevens (Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang) uit 2018 laten zien dat de educatieve kwaliteit in de verticale groepen voor baby’s lager is dan op een (horizontale) babygroep. Met de invoering van de wet IKK zijn er alleen nog maar meer verticale groepen gekomen. De grote vraag is wat dit betekent voor de educatieve kwaliteit voor baby’s. Door drukte in de groep kunnen baby’s last krijgen van overprikkeling en stress, maar met de nieuwe wet ligt het gevaar van onderprikkeling op de loer omdat ze minder aandacht en zorg krijgen, vooral als het stille baby’s zijn. Daarmee werkt de IKK wet averechts.’
Meer informatie over het Jonge Kind Centrum: hetjkc.nl

Zorgen over wip-, lounge-, auto-, en eetstoeltjes

Tien jaar geleden interviewden we kinderfysiotherapeut Tineke van Westerop over het onderwerp baby’s en bewegen. Zij uitte toen haar zorgen over het vele vastzitten van kleine kinderen in wip-, lounge-, auto- en eetstoeltjes, maar ook in kinderwagens en buggy’s en de gevolgen voor kleine kinderen.

tineke van westerop, kinderfysiotherapie

Wat is de status nu, bewegen baby’s voldoende?

Volgens Tineke moeten we onderscheid maken tussen de kinderopvang en de thuissituatie. ‘Binnen de kinderopvang is beslist meer aandacht gekomen voor de omgang met baby’s. De medewerkers zijn zich er meer van bewust dat baby’s bewegingsruimte nodig hebben maar in de praktijk blijkt dat lastig door tijdsdruk. Een voorbeeld: pedagogisch medewerkers hebben het druk en om praktische redenen voeden ze de baby’s terwijl die in een wipper zitten. Soms twee of drie op een rij, dat scheelt tijd. Om reflux te voorkomen, laten ze de baby’s nog een poosje uitbuiken in de wipper terwijl zij weer andere taken uitvoeren. Voor je het weet moeten de baby’s alweer naar bed of zijn ze in het stoeltje in slaap gevallen zonder dat ze even vrijuit hebben kunnen bewegen. Pedagogische medewerkers willen het wel anders organiseren op de groep maar ze lopen tegen die tijdsdruk aan. En als baby’s dan ook nog meer gaan huilen omdat ze er niet aan gewend zijn om in een box gelegd te worden, tsja, dan is de vertrouwde wipper snel gepakt. Medewerkers hebben echt hulp en ondersteuning nodig van derden en het management  om dit veranderingstraject in te gaan. Dat lukt nog niet overal maar het besef dat het anders zou moeten is er wel.’

Is er in de thuissituatie wat veranderd?

‘Thuis bij de ouders is naar mijn indruk weinig veranderd. Het is zeker geen onwil maar er is weinig kennis op het gebied van de motorische ontwikkeling. Er is sowieso in de huidige maatschappij veel meer belangstelling voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen dan voor de motorische ontwikkeling. Ook vanuit de overheid. Sommige kinderen krijgen maar 1 uur gymnastiek per week op de basisschool, daar is de laatste jaren niets in verbeterd. Inspanningsfysiologen zien tieners die niet eens weten dat hun hart harder gaat kloppen als ze zich gaan inspannen. Orthopeden zoals Piet van Loon, maken zich al jaren hard voor meer preventie omdat ze zich zorgen maken over al die kinderen met rugklachten… Daar komt nog bij dat al het leuks van de ouderwetse televisie nu 24/7 op mobiele apparaten via internet beschikbaar is. Een mooiere zoethouder kun je je niet wensen. Kortom, kinderen zitten, vanaf de geboorte, heel veel uren in een gebogen houding. De rugspieren worden veel te weinig gebruikt. Dat zal beslist consequenties hebben zoals diverse klachten aan het bewegingsapparaat op steeds jongere leeftijd.’

Een wipstoeltje is toch handig?

Tineke: ‘Ouders zijn ervan overtuigd niet zonder een wipstoel te kunnen en kopen sowieso te veel spullen voor hun baby. Terwijl de werkelijke behoeften van een baby heel basaal zijn; liefde, aandacht en op gezette tijden mogen eten en slapen. Als baby’s daarop kunnen vertrouwen zullen zij zich, zonder hulp van ons, optimaal kunnen ontwikkelen.’ Ze vervolgt: ‘Het zou al heel veel schelen als de kinderen, dus ook de baby’s! op hun buik zouden liggen terwijl ze op telefoon of tablet kijken. Zo trainen ze de rugspieren en van sterke rugspieren heb je je leven lang plezier. Leg de baby liever in de box dan in een wipstoel, want hoe meer bewegingservaring een baby zelf mag opdoen, des te beter is het voor de ontwikkeling van de hersenen!’

Hoe zit het met de scheefhoofdigheid tegenwoordig?

‘Officiële cijfers heb ik niet kunnen vinden maar een rondje bij de collega’s geeft aan dat men aanneemt dat 1op de 6 baby’s tegenwoordig een scheve schedel ontwikkelt. Er wordt volgens mij ook eerder doorverwezen dan 10 jaar geleden. Helmredressie wordt niet meer zoveel voorgeschreven omdat daar uiteindelijk toch onvoldoende bewijs voor is gevonden. In bepaalde, uitzonderlijke gevallen wordt het nog wel toegepast. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid heeft een richtlijn geschreven ten aanzien van voorkeurshouding en schedelvorming: ncj.nl
Meer informatie over Tineke, bewegen en de kinderopvang: tinekevanwesterop.nl

Meer informatie over ontwikkeling baby’s
Meer informatie over scheefhoofdigheid en voorkeurshouding